Fragment 'Onze verslaggever in de leegte' van Dimitri Verhulst

Verschijningsdatum: 27 februari 2020
ISBN: 9789 0830 4591 7
Prijs ca. €19,99 | 160 blz. | Paperback
Omslag: Bart Desnerck

Lees hieronder een fragment van 'Onze verslaggever in de leegte,' van Dimitri Verhulst.

Louise, 

Vrijdagavond in Frankfurt werd ik vastgeklampt door een mij niet nader bekende Nederlandse dame, wellicht iemand uit het vak. Ik had het gevoel dat ik al een tijdje door haar werd gadegeslagen, dat ze wist wie ik was, en toen ik de kroeg naar buiten stapte om een sigaret te roken zag ze haar kans schoon om eindelijk met mij alleen te zijn en te praten. Ze zal zichzelf wel hebben voorgesteld, maar haar naam bleef aan geen enkele hersencel van me kleven. Ze vroeg me waarom ik zo zelfdestructief was ingesteld, meteen, en voegde eraan toe dat het zonde was dat een man met mijn talenten zichzelf zomaar voluit en zwierig in de richting van het grafgat leefde. Het had geen zin haar bekommernissen weg te lachen, ik geloof dat ze oprecht het beste met me voorhad. Ze zei dat ze mijn ondergang rook, aan mijn adem, mijn huid. Dat kan. Ook mijn vader mufte al een paar jaar heel concreet naar zijn ondergang voor hij uiteindelijk echt wegteerde, en dan bedoel ik niet dat hij uit zijn bek naar alcohol stonk, hetgeen hij ook wel deed. Het is de dood zelf die via onze mond begint te hijgen op een bepaald moment, die uit onze poriën komt zweten. Ik wist wat ze bedoelde, ik kende die geuren, geuren die je meteen bij een ander herkent maar onmogelijk bij jezelf, en ze had gelijk. Ik had een week achter de rug van veel te veel gezuip, de gin was er met sloten tegelijk ingegaan en ik had sommige van mijn collega’s geïmponeerd met mijn onvermoeibaarheid, waar ik graag mee poch. Ik had een nacht slaap overgeslagen en was aardig op weg om een tweede nacht op rij mijn bed niet te zien. Dan had ik trouwens eens een uitstekend hotel gekregen. Aan het Hauptbahnhof had ik mijn vijfde gram cocaïne op twee dagen gekocht, van een smerige dealer die verveeld moest toegeven dat ik de prijzen kende, en die mij meesleurde naar een seksshop omdat hij mij het spul niet op straat wou overhandigen. Tussen de rukkers en de gluurders werd de transactie afgesloten. Het station zat vol met zielige junks, tandeloze wezens, ondervoed, ver voorbij the point of no return. Ze waren bereid een man te pijpen om hun honger te stillen, de kleverigste kwak zouden zij inslikken om drugs te scoren. Er was een moment dat ik dacht dat ze daar vrijwillig hadden postgevat, opdat ik mij in de matte blik van hun ogen kon spiegelen. Want hoewel ik nog altijd in deftig pak door de straten struinde, keken zij naar mij als naar een gelijke. Dealers in alle steden herkennen mijn aard, ze spreken mij rechtstreeks aan, ik hoef hen niets wijs te maken. De ondergrond van de grootstad stelt geen enkel wantrouwen meer tegenover mij, ik ben er thuis gekomen. Er is geen dresscode in de ondergang, de stinkende daklozen beseffen dat. 

Tja, waarom richtte ik mezelf te gronde? Omdat ik ben uitgepraat. Ik ben leeg. Alles is voorbij. En omdat ik het talent waar die ene dame het over had sterk in twijfel trek. 

Een klein uurtje na het gesprek met deze bekommerde en lieve dame bevond ik mij met een andere vrouw in een toilet, dertig jaar jong en behoorlijk mooi, niet om te neuken zoals koppels in toiletten maar beter kunnen doen, maar om twee lijnen te leggen op het schermpje van mijn telefoon, die gulzig op te snuffelen. Toiletten, waar de strepen stront nog op de pot hingen, de tampons naast het vuilbakje werden gemikt, de condooms niet eens dichtgeknoopt op de vloer herinnerden aan de driften van anderen, en hoe ik daar ineens resideerde. Het feestje waarop ik mij bevond, op een boot op de rivier Main, heette hip te zijn. Het was er zwoel, er hing seks in de lucht, vreemden sloegen met elkaar aan het tongzoenen, en ik verveelde me. Drie gin-tonics later verveelde ik mij nog steeds. En toen ik me na het vijfde glas nog steeds verveelde ben ik weggegaan, op naar een volgende bar, bar Roomer, in het centrum van de stad, waar ik die week al een nacht of vier had doorgebracht tussen de yuppies. Magnumflessen champagne, cocktails allerhande, fysiek perfecte meisjes die als munteenheden werden verhandeld door maffiose figuren met imposante posturen, spierbundels verworven door met fitness en amfetamines. Ik verkeerde in de onmogelijkheid om dronken te raken, hoeveel ik ook naar binnen goot. En ineens sloeg het toe: het gevoel kapot te zijn. Op te zijn. Het had me geen flikker verdomd indien ik ter plaatse was gestorven. Ik was geen groot verlies, dat wist ik wel zeker (en ik weet het nog steeds). Er was geen zelfmedelijden, alleen maar besef dat ik was aanbeland op het nulpunt. De nacht kon mij niet meer verleiden, er was geen liefde meer mijnentwege, en misschien hield ook de nacht zelf niet meer van mij.

In mijn broekzak was een zakje coke opengescheurd, het witte goedje hing overal. Mijn telefoon, mijn bankkaarten, mijn geldbriefjes, werkelijk overal hing spul aan. Mijn snot smaakte naar benzine, de straatwaarde van mijn zakdoek was fors de hoogte in geschoten. Op mijn hotelkamer heb ik met mijn lidkaart van het ziekenfonds alle kruimels bij elkaar geveegd en versneden. Een laatste lijn voor het slapengaan, in alle zieligheid. Weer wakker worden was volkomen overbodig. Je zou het niet meteen erkennen, maar je zou zo gelukkig zijn geweest indien ik mijn ogen voor eeuwig had dichtgeknepen. Nu jij nog een beetje om mij wenen wil. 

*

Drie bezigheden die mij de weg naar schoonheid tonen: een pijp stoppen, hout stapelen, een gedicht schrijven. Ze zijn alle drie, indien in alle ernst bedreven, uiterst vermoeiend, maar voor schoonheid heeft een mens iets over. De kunst van de pijp is niet voor mij weggelegd. Overigens is de combinatie van pijp en gedicht best kneuterig. Dichters met pijp: wantrouw ze! Wel heb ik gedurende menige jaren mijn eigen brandhout zelf gekapt, gekliefd en gestapeld, hetgeen mij veel esthetisch genot en rugpijn heeft opgebracht. Stadsbewoner als ik weer werd, en gehecht aan de geur van een smeulend stukje beuk, liet ik mij met de ongeduldige winter in het vooruitzicht een palet hout leveren. Het werd voor mijn deur neergeploft met een vorklift, waarna ik het reeds keurig gedroogde goed naar binnen had te slepen, en wel zo snel mogelijk om de verkeerschaos in mijn veel te smalle straat tot een minimum te beperken. Natuurlijk voel ik mij minder man met deze kant en klare blokken, ik heb mijn atavismen weer elders te bevredigen, maar wat doe ik eraan? Enfin. Tijdens het hamsteren van mijn winterwarmte liep er mij een dakloze voorbij, en die zei, in een Gents accent dat om van te likkebaarden was en ik hier niet fonetisch kan weergeven: 

‘Amai, dat moet een bakske geld gekost hebben!’ 

Nu vond ik dat zelf best meevallen, 265 euro voor een indrukwekkende hoeveelheid brandhout van de beste kwaliteit, levering inbegrepen. Ik had zelfs al mijn winst uitgerekend met deze bestelling, want eigenhandig met kettingzaag en bijl aan de slag zijn, is bepaald niet goedkoper, al helemaal niet wanneer ik de onkosten van een nieuwe ruggenwervel inbreng. De vreugde waarmee ik aanvankelijk mijn makkelijk gekocht hout stapelde, sloeg om in een soort van schaamte. Ik, parvenu, gearriveerde snob, met mijn knappe kachel en mijn portefeuille die mij in staat stelt om de bossen verhakkeld en gedroogd naar de stad te laten brengen. 

Maar het is waar: de waarde van warmte kan het best door een dakloze worden uitgedrukt. 

*

Louise,

Het heeft je misschien moeite gekost om mij te vertellen dat je deze zomer innig met Calvin hebt gezoend, maar het was niet nodig dat je het mij vertelde. Ik wist het, ik had het gevoeld. Ik meen zelfs te mogen zeggen dat ik nog eerder dan jij doorhad dat het te gebeuren stond. Toen wij in augustus bij hem in de tuin zaten werden de bouwstenen al gelegd. Ik raakte je toen aan, en je vond het ongemakkelijk; niet omdat ik je in de war bracht met mijn aanraking, want hield ik nu wel of niet van je, wou ik jou nu wel of niet nog in mijn leven, maar omdat mijn aanraking het hele geflikflooi tussen jullie beidjes verstoorde. Je was me te vrolijk die avond, je deed je sterker voor dan je was, je seinde valselijk signalen van levenslust uit maar het was niet naar mij. Ik heb je niets te vergeven, ik ben het die jou te weinig liefde heeft gegeven. Koud ben ik geweest. Harteloos. Ontrouw. En jij had armen nodig om in te liggen, net als iedereen. Er is geen jaloezie mijnentwege, dat recht dient mij trouwens ontzegd te worden. Ik vind het jammer voor je dat hij een lelijke man is, maar voorts begrijp ik het wel: hij lijkt me creatief te zijn, woont godverloren tussen de maïsstengels in een romantisch krot, en is vrolijk gek. Dan heb je aantrekking. Hij zuipt nog meer dan ik al doe, hij slikt en snuift mij honderduit onder tafel, en hij rookt zeker evenveel als ik. Dat snap ik even niet. Als hij mij op dat punt moest vervangen, dan denk ik dat hij mij wel twee keer kon vervangen. Het innige aan dat gezoen is datgene wat mij nog het meest pijn kan doen. Omdat ik je nooit als een zoener heb mogen kennen. Ik kom niets tekort in bed, allesbehalve, maar aan de kus kan het mij soms ontbreken. Lange tijd heb ik het voor mezelf kunnen uitleggen omdat jij niet rookt. Ik weet dat mijn mondhol een rottend hellegat voor je moet zijn, het is de anus waarlangs men het inferno binnentreedt. Ik schaam me tegenover niet-rokers om mijn adem, diep. Maar die goedkope roltabak van Calvin, en zijn treurige gebit, geven mij niet te hopen dat het daar in zijn bek vrolijker tongen proppen is. Wat ik wil zeggen: ik mis de kus. Ik haal mijn portie tederheid in haar puurste vormen uit een zoen, niet uit het olijke gewip. Niet de vrouw met het bevalligere lijf, niet zij die mij lekkerder bevredigt, heb je te vrezen. 

Zij die mij onderzoekend zoent en proeft!