Dimitri Verhulst doet verslag van zijn ervaringen tijdens de coronapandemie

Vanuit zijn woonplaats in Frankrijk doet Dimitri Verhulst verslag van zijn ervaringen tijdens de coronapandemie. Hoe is het leven als je woont op een leeg platteland, wat merk je er van? Verandert er eigenlijk wel zoveel aan het leven als je schrijver bent en altijd al gewend bent aan thuis zitten? 

29 maart (2606 doden later)

Je moet iemand hebben voor wie je ‘Misty’ kan spelen.

En ik heb dat.

‘Misty’ is een ballad, geschreven door de grote Erroll Garner, maar weinig

jazzmuzikanten hebben met hun neus voor de partituur ervan gezeten. Getergd door

veel te veel cocktailversies werd vaak de spot gedreven met deze song. Alsof het werd

geschreven met agavesiroop, zo werd het gespeeld. De song werd geassocieerd met

kwarttalenten, dromend van Carnegie Hall, maar honkytonkend in de lobby van hotel

Het Soepkonijn. En met de fletse smaak van al die klanten die dan op de pianist afstapten

en hem vroegen om deze song te spelen. (Juist, daar komt Clint Eastwood aan.)

Ik zou niet weten welk lied er beter bij me past.

En ik vind het drommels mooi, zo mooi.

Een ballad moet je ernstig nemen. Je moet hem durven te spelen als een ballad.

Keukentegeltje, neem nu eentje voor aan het gasfornuis van Miles Davis: voor een ballad

heb je ballen nodig.

Enfin, ik wou deze song al heel erg lang onder de knie krijgen, en nu ik iemand

heb voor wie ik het te spelen heb, ben ik eindelijk begonnen aan de eerste studieronde.

Heerlijk is het. Al die akkoorden die ik nooit eerder speelde, te beginnen met het eerste:

een droom van een Ebmaj7.

Het boeiende aan pianospelen is dat je aanvankelijk, wanneer je een nieuw lied

studeert, je brein bijna voelt barsten van de inspanning. Ik alleszins. Maar gaandeweg,

na herhaling na herhaling na herhaling, nemen de vingers het van de koker over en doen

ze hun ding. Er wordt zelfs een punt bereikt dat ik niet eens meer weet wat ik uitvreet

met mijn handen, maar alle tien die stompjes eraan kennen hun taak en voeren die naar

behoren uit. Zij spelen ‘Misty’, min of meer, bijna zo goed dat ik kan solliciteren in hotel

Het Soepkonijn, en ondertussen kan ikzelf aan totaal iets anders denken.

Aan de hogesnelheidstreinen die op dit eigenste moment een streep trekken

tussen de grote steden. Al hun wagons zijn ingericht als een hospitaal, en zij vervoeren

patiënten van het ene overbevolkte ziekenhuis naar het andere, nog niet overbevolkte

ziekenhuis.

Ik denk aan de sterftecijfers, waarvan ik nog maar sedert drie dagen weet dat zij

de gruwel van dit virus niet helemaal blootgeven. Enkel wie in het ziekenhuis overleed

kwam in deze statistiek terecht. Dus alle kisten die uit de bejaardenhuizen worden

gedragen, tellen niet mee. Thuis stikken, telt niet mee.

En ondertussen maar ‘Misty’ spelen.

En denken aan de reportage die ik las, ik geloof in Le Figaro, over een Parijs’

gezin, bestaande uit vijf personen, dat net als alle Franse gezinnen is geconfineerd, maar

dit heeft te doen in een flatje van elf vierkante meter. Elf!

Ik weet niet eens of er op de eierdoos mag staan dat de kippen vrije uitloop

kregen, wanneer ze met hun vijven op elf vierkante meter mochten kakelen.

Vier keer mijn piano, dat is ongeveer elf vierkante meter.

Dat ik niet beschaamd ben.

Je moet ballen hebben om een ballad te spelen.

Was ik een lid van dat Parijs’ gezin, ik zou er in schoppen.

27 maart (1995 doden later) 

In mijn vriendenkring ben ik diegene die zo nodig veraf moest wonen. Oké, ze kennen mij, ik heb een kleine reputatie als het op verhuizen aankomt. Maar toch. Om mij te zien moeten mijn dierbaren een dagreis ondernemen, en ik voel mij daar soms schuldig over, het is niet anders. 

Door alle opgelegde maatregelen wonen we echter allemaal even ver van elkaar, ineens. 

De afstand tussen al mijn Gentse vrienden onderling is plotsklaps even groot als tussen hen en mij.  Ze zitten in hun huizen, ieder afzonderlijk, als mislukte paters in een slotklooster, bereid om hun gelofte te breken. Sommigen hebben nog de luxe van een balkonnetje, sommigen zelfs van een tuintje of een koer van grijze tegels, maar lang niet iedereen. 

Sedert ik hen heb verlaten, een dikke acht maand geleden ongeveer, hebben wij uiteraard wel met elkaar getelefoneerd, in een paar gevallen zelfs elkaar geheel ambachtelijk een brief geschreven, maar wat mij opvalt is dat ik er nu ineens ook mee begonnen ben al die vrienden te willen bezoeken in het virtuele. Skype, Zoom, FaceTime… het kan allemaal. Dat geluk hebben we, dat de techniek onze eenzaamheid kan verlichten. Het heeft weliswaar iets frustrerends, naar elkaar te kijken en elkaar niet te kunnen aanraken, elkaar niet te kunnen ruiken, maar als communicatiemiddel wil ik het even niet ruilen voor de rookpluim. 

Nooit eerder deed ik het, maar al een hele week lang aperitief ik ’s avonds met vrienden. Ieder voor het schermpje van telefoon of laptop. Het voelt nog onwennig aan, onwennig en absurd, het is bijlange niet mijn manier van communiceren. Maar er is momenteel geen andere mogelijkheid, en ik heb er deugd van. De behoefte om mijn vrienden te zien, hun stem te horen, is groot. Ik ben bekommerd om hen, uiteraard, ik zie hen zielsgraag, en stel vast hoe ook zij stilaan hun greep op de grap verliezen. 

Vermoeide gezichten zag ik, op mijn computerscherm. Bleke snoeten, wallen onder de ogen. Onder hen veel leraars, die maar blijven doorploeteren en lesgeven via allerlei kanalen waarvoor wifi nodig is. De hele dag binnen, voor dat computerscherm. Hoe de bloesems dit jaar ruiken, het is sommigen een raadsel. Ik heb veel zelfstandigen ook onder mijn vrienden. Ze verloren opdrachten, alsook duizenden en duizenden en duizenden euro’s. Tienduizenden, moet ik zeggen. Hier en daar dreigt een faillissement. En om eerlijk te zijn, ik weet zelf ook niet goed in welke mate ik een financiële optater zal krijgen door deze situatie. Naar ik inschat, geen kleintje. Want wie dacht dat er nu eindelijk eens op grote schaal wordt gelezen, heeft het verkeerd. De zeven zussen, die reeks doet het goed, dat is waar, en ik ben nog blij ook dat ik die niet heb geschreven. Literaire festivals worden afgelast, boekenbeurzen gaan niet door, filmsets worden afgebroken. Op mijn overheid hoef ik niet te rekenen, die hoor je bijna luidop hopen dat covid-19 de hele culturele sector eindelijk zal uitroeien.

Zonder dwarsliggers geen treinen. Maar mijn overheid wil geen dwarsliggers. En eigenlijk wil die ook geen treinen. Wat mijn ministers willen, is minister zijn. En daar stopt het. 

Ik heb veel neerslachtigheid gezien bij mijn vrienden. Veel angst en onzekerheid ook. 

En we bevinden ons nog maar aan het begin van een strijd die lastig dreigt te zijn. 

Met een verzwaard gemoed, ik geef het toe, heb ik de middag in de tuin doorgebracht. Mijn onnozele oorlog gevoerd tegen het onkruid. 

Terwijl ik ondertussen besef dat ikzelf het onkruid ben.

26 maart (1696 doden later) 

Voor het eerst sinds ik weet niet meer wanneer, maar zeer zeker voor het eerst sinds de opgelegde quarantaine, heb ik iemand aangeraakt. Iemand anders dan mijn vrouw. 

Het was de leverancier die hier een tuinhuis kwam afleveren. (Het vorige was ingestort, met de hulp van storm Ciara, maar zou sowieso toch eens tegen de vlakte zijn gegaan, schots en scheef als het daar stond). 

Een tuinhuis, tuinhuisjé, negen vierkante meter, in zelfbouwpakket. Gezien mijn roemruchte handigheid zou een vriend me hebben geholpen om dat recht te zetten op een manier zoals tuinhuizen doorgaans recht hebben te staan, maar ik vrees dat de omstandigheden mij nopen daadwerkelijk zélf te moeten bouwen met wat het zelfbouwpakket me biedt. 

Ik verwens mijn slappe interesse voor Lego in mijn kindertijd. Als ik al eens een huis bouwde met al die stomme stenen in mondriaankleuren, dan had het altijd een plat dak. Voor het gemak. Eigenlijk maakte ik gewoon een doos met een deur erin. Modern, dat wel. Ramen zaten er overigens ook nooit in. Misschien had ik wel alles in me om een bejubeld architect te worden. Het minimalisme, dat had ik al helemaal in de vingers op mijn vijfde, dus eigenlijk snap ik het spuug niet in al die loftrompetten voor iemand als pakweg Claudio Silvestrin. 

Silvestrin? Dat is wel heel hard derde kleuterklas!

Het strafste wat ik ooit in elkaar gebokst kreeg was een boekenkast. Het is een gevoel dat ik makkelijk kan oproepen wanneer ik weer eens twijfel aan mezelf: ‘Niet zo zeuren, jongen. Jij kan meer dan je denkt. Jij stak een boekenkast ineen!’

En zelftwijfel zal zeer zeker toeslaan: het tuinhuis heeft een puntdak!

Het was een jonge leverancier, die ik heb aangeraakt. Hooguit dertig jaar. En mooi was hij ook nog. Nou ja, niet lelijk. Meer nog dan mooi zag hij er moe uit, aangezien iedereen maar pakjes bestelt uit vrees besmet te raken in een winkel. Zijn lichtblauwe mondmasker vloekte met zijn bruine ogen, maar mode is niemands zorg tegenwoordig. Hij gaf geen handdruk ter begroeting, behield de voorgeschreven anderhalve meter leegte tussen ons tweeën, dus daar is het niet gebeurd. 

De aanraking, de eerste in vele dagen, misschien wel weken, want ik ben niet dol op tactiel gefriemel met vreemden, vond plaats toen hij uit de laadruimte van zijn vrachtwagen dat loodzware tuinhuis wou tillen. Een beetje macho was hij natuurlijk wel, dus hij kon dit uitstekend in z’n eentje. 

En hij maar trekken en sleuren en rukken aan die kolossale verpakking. Er hing een touw aan, dat vergemakkelijkte zijn gesjouw. Maar vervolgens brak dat touw af, en vloog hij achterwaarts. De laadruimte uit. Het hoofd naar beneden. 

Je kan in lelijker straten doodbloeden, dat meen ik echt, maar ik ben toch blij dat ik zijn jonge kop van dat asfalt heb kunnen houden. Dat ik zijn val heb kunnen breken. 

Minder dan twaalf uur eerder, hadden vierentwintig miljoen mensen live naar de toespraak van president Macron gekeken, waarin andermaal werd gezegd dat we van elkaar hebben te blijven. En daar stond ik, met een dertiger in mijn armen.

Ik wou ‘sorry’ zeggen. Sorry omdat ik hem had aangeraakt. Sorry omdat ik hem een schedelbreuk had bespaard. Maar ik zei niets. 

En evenmin zei hij ‘dank u’.

We deden alsof er niets was gebeurd, immers hadden we een overtreding begaan, en sleepten samen dat loodzware en helaas nog niet in elkaar gemonteerde ding de tuin in. 

Heel bizar.

Ik moest denken aan een beeld dat ik ooit heb gezien, genomen geloof ik in Ivoorkust, waarop een ebolapatiënt eenzaam op straat ligt te sterven, omdat niemand hem wil helpen uit vrees voor de contaminatie. 

Hoelang gaat het nog duren vooraleer er iemand van zijn fiets valt, daarbij zijn oogkassen breekt, en ongeholpen blijft liggen op de grond, aangestaard door omstaanders die al heel goed hebben geleerd dat de harteloosheid het meeste kans op overleven geeft? 

Het zijn slechte tijden om van de trap te vallen. 

Wie om hulp schreeuwt, hoort weldra de buren hun muziek luider zetten. 

25 maart (1331 doden later)

Het is goed schrijven onder de Franse zon. Het is ook goed schrijven onder de Franse zon in quarantaine. En origineel is het niet. F. Scott Fitzgerald deed het in 1920, in een poepsjiek en ongetwijfeld peperduur hotel aan de Franse Rivièra, zich verschuilend voor de uiterst dodelijke Spaanse griep die volgens sommige schattingen wereldwijd vijftig miljoen levens heeft geëist. En toch heeft Fitzgerald niet over de Spaanse griep geschreven, terwijl ik nu, na slechts een paar dagen van paniek, als vele van mijn collega’s, over niets anders meer schrijf. Ik schaam me zelfs een beetje, nog meer letters toe te voegen aan de molshoop columns en slimmerikerijen die er dagelijks over de lezenden worden uitgestort. Gaan wij die coronadagboeken allemaal uitgeven straks, wij schrijvelaartjes? Wordt dat even gezellig in de boekhandel. Er zullen stickers worden bedacht om op covers te kleven: ‘Dit boek gaat níét over corona.’

Fitzgerald had tbc. De dood was al langer een dagelijkse metgezel. Kon hem de griep nog schelen.

Iedereen liep zich in die dagen ook te krabben op plaatsen waarvoor vandaag aparte scheermesjes bestaan. En ging daar dikwijls ook nog eens dood aan.

Er was pellagra, er was rachitis. Er was scheurbuik en er was struma. Ooit waren er mensen die wisten wat dit was. En je moest dertien uur per dag werken. Maar die arbeiders schreven natuurlijk niet. Het was al een wonder als ze iets of wat schrijven konden.

En er had ook net een wereldoorlog gewoed, nietwaar, die acht en een half miljoen bijzonder jonge levens had gekost. In het licht van zoveel werkelijkheid weegt een pandemie veel lichter. Al waren het wel verdikkeme vijftig miljoen doden. De Indische auteur Munchi Premchand, veel geliefder dan de beroemde Tagore, woonde in een regio waar er drie miljoen mensen vielen te betreuren, en noteerde dat ‘de Ganges was gezwollen door de lijken’. Hij heeft wel over de griep geschreven, maar in verhouding tot wat hij heeft gezien en meegemaakt, ontzettend weinig. Onder meer zijn hele familie dreef op die Ganges.

Ernest Hemingway? Die had een vriendin, enfin, hij had ongetwijfeld vele vriendinnen, allemaal magerder dan hijzelf, maar eentje, Agnes von Kurowsky, was verpleegster in Italië waar ze patiënten met de Spaanse griep verzorgde. Ja, Italië. Ook toen, Italië. Hemingway een beetje kennende van lezen schat ik in dat hij nog liever deelnam aan lockdownfeestjes dan dat hij sentimentele columns of dagboeken over een ziekte schreef. Hemingway stierf niet aan onnozelheden, en al helemaal niet aan een griepje. Had hij zichzelf met z’n lekkere dubbelloops geen vuistdik hol in de kop geschoten, hij leefde ongetwijfeld nog.

William Carlos Williams (u kent hem, The Great American Novel is een begrip dat hij heeft bedacht, het was een van z’n boektitels) was arts, en legde tijdens de pandemie, hou u vast, maar liefst zestig huisbezoeken af per dag! Na de griep, publiceerde hij gedichten die gingen waar gedichten meestal over gaan. Niet over de griep. Williams was een groot kenner en liefhebber van het werk van Brueghel, dan weet je dat er door de hele geschiedenis van het onbehaarde apendom heen aan van alles en nog wat op grote schaal werd gestorven.

Hij zou een van die mensen zijn geweest voor wie wij vandaag op ons balkon staan te applaudisseren. De helden die hun eigen leven op het spel zetten om het onze te redden. De helden die daarom ook vandaag door onze politici worden geroemd, omdat het in hun kraam past. En die morgen weer voor een kutmijnklotenloon mogen verder werken. Idem trouwens voor Agnes von Kurowsky.

John Don Passos had zelf de Spaanse griep opgelopen. Waar is die griep in zijn oeuvre?

En mijn goede vriend T.S. Eliot had de Spaanse griep aan zijn broek, samen met zijn vrouw Vivien, die ook al psychisch een wrak was trouwens. Althans niet al te letterlijk heeft hij over dit gemene virus geschreven, maar volgens de dame die daar onderzoek naar heeft verricht, Laura Spinney, zou The Waste Land kunnen verwijzen naar het lege Londen ten tijde van de lockdown. Tja. Zou kunnen. Interessanter is haar theorie dat de griep zowel in China als in India heeft geleid naar een verschuiving in de letteren, en dat de literaire taal plaats ruimde voor spreektaal. En dat men in Brazilië blij was met het razen van de ziekte, omdat die geen onderscheid maakte tussen de klassen en de rassen. Wat de Brazilianen zelf niet lukte, Brazilië daadwerkelijk één te maken, lukte uitsluitend door iets wat enkel met een elektronenmicroscoop viel waar te nemen.

(In Duitsland, geef ik even mee, heette de Spaanse griep anders: de Vlaamse griep! Maar dat was natuurlijk uit frustratie, ze waren nog maar net in de Westhoek in de pan gehakt.)

 En zie ons vandaag maar schrijven. Er is nu al meer geschreven over corona dan ooit over de Spaanse griep. In één week tijd. Ook ik, ik ben geen haar beter.

Waarschijnlijk omdat we eindelijk eens iets meemaken, wij witte Europeaantjes met onze welstand, onze levensverwachting. We konden bijna psychologische bijstand krijgen in het geval van diarree! Bestond er geen kanker, het werd wel heel erg moeilijk om nog te sterven. Geen oorlog gezien, geen honger gevoeld. En misschien zijn we ook nooit echt verenigd geweest door een en hetzelfde thema. Net als de Brazilianen eertijds hebben we iets wat de klassen overschrijdt. Corona maait de arme neer, de rijke neer, de slimme neer, de dwaze neer. Willekeurig, zoals de natuur altijd is geweest.

Het woord ‘gelijk’, check it out, komt etymologisch van ‘lijk’.

Toptaal, het Nederlands. De mooiste ter wereld. Ik ben zeker dat ze het in de hemel spreken. Met een licht Gents accentje, dat wel.

Herinner ik mij dat goed, en hoorde ik nog niet zo lang geleden in een aflevering van Zomergasten de zin uitspreken: ‘De mens die duizend jaar zal worden is waarschijnlijk al geboren’?

Onze voeten staan op de grond, en ze staan daar goed. Onze waan van onaanraakbaarheid is gekraakt, we kunnen er maar deugd van hebben. We hebben potdomme een onderwerp, een ons allen verbindend onderwerp. Wij, die ons al schuldig begonnen te voelen als we op ons zeventigste niet meer aan sport deden. Niet als individu, maar mogelijks wel als gemeenschap, hadden we misschien al erg lang niets meer te zeggen. Hetgeen we wellicht hebben te danken aan al die geluksgoeroes van de laatste jaren: onze niksigheid. Onze leegte.

We gaan slaag krijgen. Op oudtestamentische wijze gaan we slaag krijgen. Dat is waar het naar uitziet. Niet volgens de schrijver met eindelijk eens een onderwerp, wel volgens virologen. Enfin, we weten het niet. Elke zin die morgen wordt herlezen kan hysterisch of profetisch zijn. Maar de nederigheid die we ondertussen moeten opbrengen: zij was meer dan welgekomen.

24 maart 2020 (1100 doden later)

 Vanochtend werd ik wakker door het flipperkastgeluid van mijn telefoon. Een vriend van me, erg vroeg wakker omdat hij met twee pagadders zit opgescheept, polste per sms of ik het einde van mijn tuin nog zou zien de komende dagen. Ik rook stront aan de knikker, wist dat de Franse regering met nieuwe en verscherpte maatregelen zou komen, en raadpleegde meteen de website van de overheid.

Het is me voortaan toegestaan mij maximaal één kilometer van mijn voordeur te begeven.

En ik mag niet meer dan één uur per dag buitenshuis zijn. Alleen. Met twee mag het niet meer. De wandeling handje in handje door het bos wordt afgeschaft.

Het is niet zo dat ik thuis van mijn vrouw blijf, vergeet het maar, je kan me veel afnemen maar niet dat, doch op straat kan en mag het niet meer. En dus ook niet in het bos. Terwijl. Nou ja. Het bos. Een vlinder. Een tjiepievogel. En van het een komt toch weer het ander. De Schepping steekt zo deksels goed in elkaar.

Heel erg duidelijk was die site niet, moet ik zeggen, en dat heeft niets te maken met mijn kennis van de Franse taal. Ik neem aan dat de regel van een kilometer te maken heeft met ontspanningsdoeleinden. Het verlangen naar de hap lentelucht. De nood van de hond te moeten kakken en eens naar een ezel in de wei te kunnen blaffen. De oerdrang om de gans van de buur dood te bijten.

Mocht deze maatregel ook gelden voor het winkelen, dan is dit de eerste fase van mijn hongerdood. De dichtstbijzijnde winkel bevindt zich namelijk negen kilometer hier vandaan. De Coop, een kleine superette, waar alles net iets duurder is dan in de supermarkt, en waar weinig valt te veroveren wat tot een smakelijke maaltijd zou kunnen leiden. Vijfhonderd meter verder verkopen ze oesters, verse, uit La Rochelle. Ik vermoed dat die nu bijzonder goedkoop staan. Misschien bestaat mijn nabije dieet voor vele maanden uit alleen maar oesters. Wie weet hoe een mens daarop reageert.

Onmogelijk dat ze ons verbieden verder te gaan dan een kilometer om voedsel in te slaan. Drie kwart van dit land zou creperen. Wat zeg ik? Vijf kwart!

Een kilometer. Mocht de Ronde van Frankrijk dit jaar nog doorgaan, wat geen wiel nog gelooft, alleen de organisatie van de Tour blijft het voorlopig nog koppig geloven, dan zal die editie niet gewonnen worden door een Fransman. Noteer maar. Heel misschien nog de ultrakorte openingstijdrit zal door een Franse pedaleur worden gewonnen. Grapje. Er staat, stond, geen openingstijdrit op het programma, dit jaar. Ha.

 Liever dan de auto, neem ik ineens de bromfiets voor mijn verplaatsingen. Ook al moet ik hiervoor gehomologeerde handschoenen aan en zit ik met een soepketel op mijn kop, toch heb ik het gevoel meer, eh, vrijheid uit het mij toegestane uurtje te halen.

Steeds meer en meer steden voeren ook de avondklok in. President Macron zei dan ook dat we in oorlog waren. Wie tussen tien uur ’s avonds en vijf uur ’s ochtends in de openbaarheid wordt gezien, ziet z’n strafblad onder de hamers van een schrijfmachine gaan.

Voor onze kinderen: een schrijfmachine, dat is een tekstverwerker waarvoor geen elektriciteit nodig is.

Erg leuk in een land met 58 kernreactoren.

De nachtklok kan me wat. Voer maar in zoveel je wil, ik moet nergens heen. De nacht deugt enkel om te schrijven of om een familie everzwijnen omver te rijden. Wat wij na tienen doen, is sterren kijken. Gewoon in onze tuin. Tenminste, als het warm genoeg is. Er staan hier meer sterren dan de Ieren sproeten in hun gezicht hebben. Niet racistisch bedoeld overigens, je moet het er tegenwoordig ook steeds bij vermelden.

Ik ben dol op Ieren. Er zijn zelfs Ieren die dat van me weten.

Maar meer nog hou ik van de sterren. Daar zijn protestanten noch katholieken van.

C’est l’espace infini qui m’effraie, zei Dingetje, van wie me de naam nu niet te binnen schiet omdat ik al te veel heb geschreven vandaag en stilaan toe ben aan wat horizontaliteit. Hij zei het, Dingetje dus, kijkend naar de sterren, naar dat heel en al heelal waarin wij ons nietig hebben te voelen zoals eindelijk weer eens een virus ons nuttig kan doen voelen.

Nietig, bedoelde ik. Maar wel een leuke lapsus.

Ja, die sterren. Het is me wat, te wonen waar geen lichtvervuiling heerst. Wij zien een barbecue vanop vijf kilometer afstand. Ons maak je hier niets wijs. Wij lopen op Maurice af, die in een belendend dorp woont, en zeggen dan: ‘Maurice, je hebt gisteren weer gebarbecued.’

Daar heeft Maurice niet van terug.

Overigens is dat een lastig werkwoord, barbecueën.

Ik barbakot liever dan ik dan ik barbecue. Alleen al omwille van de vervoeging.

Het barbakotseizoen komt er alweer aan trouwens, hoera. De vrienden waarmee je zoiets doorgaans doet, zullen ontbreken.

Hoelang kunnen we nog in ons eentje feesten?

Het kan niet anders of ook de prijs van de houtskool zal weldra drastisch dalen.

Oesters op de barbakot! Elke dag!

Wie weet, binnenkort, als ze mijn vrouw vragen hoe ik ben heengegaan.

‘Hij rook naar oesters.’

Alles kan altijd erger.

23 maart 2020 (860 doden later)

 Hoogst verbazend dat ik er vanochtend pas voor het eerst aan dacht, en misschien kwam het door iets van schuldgevoel (religieus restafval), omdat ik in de tuin ontbeet, de zon vol op mijn toeter, slobberend van mijn koffie terwijl zes buizerds aan luchtacrobatie deden. Een kolossaal dikke bij, een soort van vliegend schaap, kwam even de bloemen inspecteren; de kippen leverden hun bijdrage aan de oorlogsindustrie en legden een ei. Een perfect ei, als was het gelegd met een venndiagram aan de sluitspier. Maar ja, in al dat ongemakkelijk geluk van mij viel dus plomp de gedachte: hoe moet zo’n lockdown in een jeugdinstelling zijn?

Schaamte om deze verlate gedachte.

Allerlei koppels kunnen wel foeteren dat ze een ganse dag met elkaar zitten opgescheept, iemand zou hen eraan moeten herinneren dat ze wel voor elkaar gekozen hebben. Dat er, mogelijks ondertussen niet meer doch alleszins ooit wel eens, iets is of was wat hen verbond. Een meisje dat door haar vader werd verkracht en daarom in een instelling werd geplaatst, de zoon van een agressieve dronkaard, de moderne Mozes die te vondeling werd gelegd, het werkongelukje van de prostituee, die hebben helemaal niet voor elkaar gekozen, maar hebben wel een moeilijk deel van hun jonge leven met elkaar te delen. In een en hetzelfde, voornamelijk met lawaai gevulde huis. Allemaal etend aan dezelfde tafel, zich allemaal vermakend in dezelfde speelruimte, bestaande uit een pingpongtafel en een voetbaltafel, want zekerheden heeft het leven aan de rand wel degelijk.

Vaak denk ik dat ik mijn verlangen naar afzondering en stilte daar tot in de diepte heb ontwikkeld.

Er is geen rust in zo’n tehuis. Het ruikt er naar luiers en rukkende pubers. Er blèren peuters, alleen maar omdat ze peuter zijn, en er roepen jongeren omdat ze worden afgeslagen door andere jongeren. Er wordt gescholden, omdat iemands eerste flesje aftershave werd leeggedronken. Oogballen worden er uitgeschreid omdat een moeder haar worp niet meer wil zien, nooit meer, of omdat het avondmaal bestaat uit verwerpelijk witloof en kotelet. Vele redenen zijn valabel om een oogbal uit te schreien. Nou ja, ik heb daar al over geschreven, omdat ik moest, het is mijn verdomde plicht en ik ontloop ze niet, in Kaddisj voor een kut, een boek dat destijds door recensenten met een gelukkige jeugd werd afgedaan als onbelangrijk.

Dat heb je wel met een gelukkige jeugd, dat je het risico loopt recensent te worden.

Ik haalde tijdens mijn instellingsjaren dieper adem wanneer ik even die gruwelijke hectiek kon ontvluchten, in de toneelvereniging, bij mijn vrienden, of in de armen van het liefje dat ik goddank had.

Die mogelijkheid zijn al deze jongeren kwijt vandaag. Allemaal op een hoop, op niesafstand van elkaar, binnen vier muren. Tot? Tja, niemand die het weet tot wanneer.

Geld is er nooit voldoende geweest voor dit soort instellingen. Vlaanderen doet het al jaren met katholieke ministers van Welzijn die geen sodemieter geven om deze jonge mensen. (Laatst lekte het nieuws dat er in een jeugdinstelling jongeren op een lattenbodem sliepen, omdat er geen matrassen waren. Dan ben je een natie! Dan mag je trots zijn! Leve Vlaanderen! Leve het katholicisme!) Wij aten voornamelijk gehakt, een triljoen variaties op gerechten met gehakt, omdat zoiets nog net betaalbaar was. Wij droegen de kleren die de begoeden hadden weggesmeten, als het tegenzat omdat ze waren versleten, als het meezat omdat ze uit de mode waren. Dus ik denk niet dat iedere tiener daar vandaag toegang tot de wereld heeft via een computer. Zoals ik het me voorstel zullen ze met z’n allen een computer hebben te delen, en worden er oorlogen uitgevochten om aan die computer te kunnen zitten. Verschoppelingen kunnen hard zijn voor elkaar.

Hebben ze wel papier om hun derrière mee proper te vegen? Als je ziet dat het verenigd burgertruttendom tonnen toiletpapier naar z’n schuilkelder sleept, begin je daar inderdaad voor te vrezen.

Ik denk aan de hoofdopvoeder, die iedere dag opnieuw dertig of meer monden te eten heeft te geven, en die daar dan staat met zijn karretje, voor al die leeggekochte winkelschappen.

De verwijten naar zijn kop, wanneer hij acht kilo gehakt zijn kar in gooit.

‘Meneer hier denkt zeker dat hij alleen is op de wereld! Vindt u dit solidair van uzelf, al dat gehamster.’

‘Het is niet wat u denkt, ik heb dertig kinderen!’

‘Jaja, en ik ben het staartbeen van Toetanchamon.’

 Het zijn gelukkige mensen die vandaag alleen maar het hoofd van hun partner hebben in te slaan.

Spijtig dat ze te stom zijn om het te beseffen.

Om te baden, vullen ze hun navel met water.

Al bij al genadig zijn de dagen, waarop ze eindelijk hebben te klagen.

22 maart 2020 (674 doden later)

 Er stonden heel wat brocantes op de kalender voor vandaag, in La Couronne, in Saint-Georges-des-Coteaux, in Ménigoute. Maar ik veronderstel dat de overheid de aanschaf van een versleten wasrek niet als essentieel beschouwt en dat ook alle verwoede verzamelaars van oude asbakken vandaag hadden thuis te blijven. Fransen hebben iets met brol. Als ze een wasmachine kopen, gaan ze meteen verlangen dat de jaren voorbij zoeven, zodat die wasmachine eindelijk kapot is, en ze die kunnen verkopen op de rommelmarkt. Een kast, je hebt er niets aan als alle deuren er nog aan hangen. Een bromfiets die nog start? Nutteloos! Hoe rotter het meubel, hoe hoger de waarde. Het is het opperste geluk van de Galliër, een stand van een paar vierkante meter op zo’n luizenmarkt te bezitten, en daar te pronken met allerlei voorwerpen die het Vichy-regime nog hebben meegemaakt. Loopt er een verdwaalde Nederlander langs de kraam, vertederd door de aanblik van een authentieke kromme kandelaar, dan gaat de prijs van het prul met zo’n tachtig procent omhoog. Ha, ja! Afdingen tot zeventig procent kan, voor de sport. Heeft die Nederlander tenminste het gevoel dat hij een Nederlander is. Iedereen tevreden.

(Nog in de laatste uren voor le confinement, ofwel de quarantaine, speelde ik met een Nederlander scrabble, en legde die het woord ‘tinnef’. Rommel dus, maar ik kende het niet. Nu ik daar dieper over nadenk weet ik waarom hij een dergelijk woord standaard op zak heeft. Het belangrijkste in deze kwestie is echter dat ik won. Met overtuiging won.)

Afijn. De brocante.

Gezellig is het, zo’n weide vol brokstukken en bazaar. Er staat dikwijls een kermismolentje dat tegen de filosofie van de brocante in wél nog werkt, en waarop de kinderen zich kunnen vermaken terwijl hun moeders vazen kopen die onze overgrootvaders vergaten kapot te slaan. Er is een kraampje met pannenkoeken, recente pannenkoeken neem ik aan, en meer dan vanzelfsprekend kan er ook wijn worden gedronken. We moeten redelijk blijven. De betere brocantes pakken graag uit met een stunt en bakken dan de grootste omelet van de wereld. Ik heb nog niet gekeken in het Guinness Book of Records, en ben ook niet van plan om dat te doen, een naslagwerk wens ik het niet te vinden, maar ik ben tamelijk zeker dat daar de grootste omelet ter wereld in staat, en dat die op een rommelmarkt in Frankrijk is gemaakt.

Ik kan het wel hebben, zo’n brocante. En wie het nog veel, veel, veel, veel meer kan hebben, is mijn vrouw. Die steekt dan een hele middag, met een heerlijke glimlach, na mijn naam te hebben geroepen, allerlei objecten in de lucht. ‘Mmmmja,’ zeg ik dan. Omdat ‘mmmmneen’ moeilijker bekt, maar eigenlijk komen die twee woorden gewoon op hetzelfde neer.

Kraken doe ik toch, en dat weet ze.

Onze auto heeft een koffer. En die kan vol.

Alles wat ze koopt vind ik aanvankelijk bijzonder lelijk, en ga ik na een jaar plots mooi vinden. We houden het hierop dat ik verstand heb van vrouwen, en zij van afdankers.

Edoch, de geschiedenisboeken mogen noteren: ‘In het tijdperk van het Coronaceen werden er geen brocantes georganiseerd.’

Een krat geld uitgespaard is dat.

En ook de stofvod is tevree.

Vele zolders zullen over enige maanden zijn leeg te maken. Die realiteit is nu wel tot eenieder doorgedrongen.

Man, man, man, hou die brocantes van volgend jaar maar in de gaten.

21 maart 2020 (562 doden later) 

Omdat de lente nu ook officieel begonnen is zouden alle Franse radiostations vandaag ‘Y’a d’la joie’ van Charles Trenet moeten draaien. Franse radiostations kunnen dat erg goed, in het verleden blijven steken. Muzikaal gezien staan ze dichter bij de Spaanse griep dan bij het coronavirus. 

Maar er is geen joie

De zon laat zich niet zien, het is weer koud. Overal roken de schouwen. 

Ook in de crematoria. Aan de lopende band. (Dat vermoed ik, die schouwen kan ik niet zien.)

Ik blader in La Nouvelle République, een streekkrant waarin gebruikelijk valt te lezen wie er de grootste courgette heeft gekweekt, en welk amateurtoneelgezelschap er in welke parochiezaal een buitengewoon goeie komedie heeft opgevoerd voor een publiek dat was samengesteld uit familieleden van de acteurs. 

De overlijdensrubriek is dikker geworden. Michel Poupin, Philippe Pointreau, Marie-Claire Bonnifet… allemaal namen die nooit meer op een enveloppe zullen worden geschreven. In hun overlijdensbericht staat te lezen dat de uitvaartplechtigheid, gezien de uitzonderlijke omstandigheden, niet zal plaatsvinden. En indien wel, dan slechts in ietepetieterige kring.

Ietepetieterig, in het Flauberts, is petit. Het lijkt allemaal op elkaar. Je begrijpt niet dat er zo weinig polyglotten zijn. 

Ze gaan ons begraven als honden. Het gerucht gaat dat de stoffelijke overschotten van de getroffenen, de levenden nog kunnen besmetten. Wie wil er ons straks überhaupt nog begraven? Gaan ze ons vragen om onze verantwoordelijkheid te nemen en braafjes thuis te rotten, of in de tuin, zodat het buizerdbestand kan worden aangedikt?

Er zou worden overwogen om de ijspiste weer te openen. Om onze doden tijdelijk in te gooien. 

Disney on Ice zal nooit meer hetzelfde zijn.

De kerselaar op de speelplaats van het schooltje in Vouneuil-sous-Biard staat in bloei, lees ik ook. En als dat, zoals nu, ook nog eens prachtig in bloei staat, zou dat wijzen op een voorspoedig jaar. 

Mijn hol. 

Dit jaar is nu reeds reddeloos verloren. Het is nog maar maart, en we weten al welk nieuws in december het jaaroverzicht zal domineren. De hele revue kan eigenlijk al worden ingeblikt. 

Ik ken ook al de sportvraagjes voor de volgende editie van Trivial Pursuit. Deze bijvoorbeeld: ‘Wie won in 2020 de wielerwedstrijd Milaan-San Remo?’

Jaja. Strikvragen. Zo hebben wij ze graag. 

Hoewel mijn vrouw de beste reden is om mij te scheren (ik wil niet dat ze verkering heeft met een tuinkabouter), kom ik er gelijk niet toe om dat mes op mijn kaken te zetten. Ik zag me daarnet in de spiegel en schrok bijna een barst in dat glas: die baard van mij is grijs! Grijs, verdomme. 

Mocht dat virus mij te grazen nemen, dan zal ik toch nog grijs geworden zijn. Dan heb je geluk gehad. De onaanraakbaar gewaande jeugd gaat ook voor de zeis, zo blijkt. 

Ik zie het gezicht van Olivier Véran, een neuroloog en sinds kort minister van Santé Tout Le Monde (Volksgezondheid), en de begrijpelijke wallen onder zijn ogen, vaker dan mijn vrienden.

Ik mis ze. En moet erover waken dat ik mij niet op laat naaien, niet laat opnaaien, door al het dystopische nieuws dat met een rotvaart op ons komt afgevlogen. Zo niet ga ik me afvragen wie ik ooit nog weer zal zien. 

Positief blijven, Dimitri. De begrafenisondernemer weet stilaan niet meer in welke ijskast wie nog bijgelegd – wie moet bij het gehakt, en wie bij de kip –, maar blijf toch maar positief.

Zie het als een periode van zelfeducatie. We moeten dit aangrijpen om onze kennis hier en daar wat bij te spijkeren. Dat is toch wat je overal hoort. En ik dacht, op deze zonloze en veel te koude dag: ik werp mij op die lijst van Robert Dimery, 1001 Albums You Must Hear Before You Die. Wat een stomme titel is natuurlijk, hoe zou ik immers nog een album kunnen beluisteren nadat ik ben gestorven?

Maar, werkelijk, moet ik nu naar bands als Korn en Slipknot en Metallica gaan luisteren om mijn kennis van de muziek weer op orde te zetten? Ik leer nog liever breien!

Zon, waar ben je? Kom gauw, of ik leer effectief nog te breien. Mondmaskertjes. Warme. 

20 maart 2020 (450 doden later) 

Gelukkig beschouwt de Franse overheid sigaretten als een essentieel product en mogen er nog altijd rookwaren worden verkocht in virale oorlogstijd. Ik snap die redenering wel van het Elysée. Zonder z’n sigaretten stond Frankrijk nergens. Er zou geen Gainsbourg zijn, geen Alain Bashung, geen Jean-Paul Sartre. Er zou geen Jacques Prévert zijn zonder Franse saffen, geen Jacques Higelin, zelfs geen Georges Orwell, geen Picasso en geen Brel, en ook ik zou niet helemaal dezelfde zijn. 
Iedere les seksuele opvoeding zou moeten beginnen met beelden van een rokende Franse actrice. Vergeet de bloem. Vergeet die bij. 

De rook van vijftig miljard kankerstokken per jaar kringelt hier sierlijk de lucht in, vaak vertrekkende vanuit prachtig gestifte monden, toch in Parijs. Je zou er zowaar cultuurpessimist van worden, want het waren er ooit veel meer. En hoewel deze lekkernijen al sedert vier jaar in Polen worden vervaardigd, het zijn en blijven tot het nakende einde der tijden Franse sigaretten, oersymbolen van de natie. 

Niks croissant. Niks pétanquebal. De sigaret!

We wouden er even uit, vandaag, vrouw en ik. Zij had al in geen twee weken meer het begin van onze straat gezien. Het is waar, de meeste koeien lijken op elkaar, maar ze wou toch eens een andere koe zien dan deze waar onze hond verliefd op is. 

Sigaretten waren het perfecte, én essentiële, excuus. De kar in dus, ik vroeg me af of die nog wel zou starten, en hopsakee naar de bar tabac gereden.

‘Onze’ bar tabac bevindt zich op negen kilometer van onze deur, naar Franse plattelandsnormen bijzonder dichtbij, en ik heb die negen kilometer nog nooit zo traag afgelegd als vandaag. Blij om even niet onze tuin, maar een variatie op onze tuin te zien. Landschappen, glooiend als vrouwenbillen. Ik zou het nooit anders willen en begrijp de mensen niet die geheel vrijwillig in de Alpen wonen. Of in Sint-Niklaas.

Twee auto’s gezien onderweg. Evenveel als altijd. Renaults, wat dacht je.

Freddy is de uitbater van de bar tabac, een jongen uit de Alsace, en god mijn god, ik wist niet dat ik het in mij had er vrolijk van te worden om hem te zien. Ik zag zowaar nog eens een mens en het was Freddy nog wel. Ik was bereid om al zijn Belgenmoppen te incasseren, plus de hele resem andere flauwe grappen die hij altijd vergaart aan zijn toog. Maar hij zag er mij nogal ernstig uit. Dat ze in Portugal wel nog op straat mogen lopen, zei hij. Een geïnformeerd man tenslotte, hij verkoopt ook kranten. 

Normaal gezien koop ik hier altijd enkele pakjes Gauloises, nu een hele slof. In het Houellebecqs: een hele cartouche.

Normaal gezien bestel ik hier altijd een café crème, en rook ik mijn eerste sigaret van de nieuwe voorraad terwijl ik die opdrink. De beste café crème van de wereld. Onderwijl denk ik aan wat ik zal schrijvelen, straks. Eigenlijk is het werken voor mij, die koffie en die sigaret. Het zijn kosten die ik zou moeten kunnen inbrengen bij de fiscus. 

Maar er is geen normaal gezien meer. 

De stoelen en de tafels, en de asbakken natuurlijk, stonden op zijn terras, in alle nutteloosheid. Want Freddy mag dan wel sigaretten verkopen ten bate van het Franse beschavingspeil, hij mag krasloten verpatsen en gazetten venten, drank mag hij niet meer schenken. 

Er lag meer dan een meter tussen Freddy en mij. Altijd geeft hij mij een hand, altijd geeft hij mijn vrouw een zoen. Maar nu: niets. We speelden met ons leven door met elkaar te praten, ook al was het slechts kort over bofkontende Portugezen. Ik had met iemand gepraat en dat hoorde te voelen alsof ik met een vreemde een onenightstand zonder condoom had beleefd. Gespeeld, maar dan met mijn leven. 

De zon scheen. Het was uitstekend weer voor slippers en topjes. Een middag van allemaal ontblote tatoeages van dolfijntjes en Chinese lettertekens. Maar er zat geen kat. De hele dorpskom was dood, nochtans wenkte l’heure de l’apéro, ons hele bioritme schreeuwde om een koele witte wijn.

En omdat geschiedenissen de faam hebben zichzelf te herhalen, dacht ik: de Duitsers zijn weer gepasseerd. Die hebben namelijk een reputatietje nagelaten in deze streek. Het zou behoorlijk onverstandig zijn, nog steeds, om op straat ‘99 Luftballons’ te lopen zingen.

Wij hoorden hier eigenlijk het einde van een natte winter te celebreren, en met een niet-aflatend onbegrip te kijken naar al die oude mannen die de ganse dag door in zo’n bar tabac op paarden wedden. 

Het moeten zalige tijden zijn voor de paarden, die ineens niet meer hoeven te draven om de gokverslaving van een massa te onderhouden. Slecht nieuws is altijd wel voor iemand goed. 

Blij dat de paarden ook iets krijgen. Ze verdienen het. 

19 maart 2020 (372 doden later)

Vrijheid is de afstand tussen de jager en de prooi.

Dat is een, meen ik Aziatisch, spreekwoord.

Omdat ze meestentijds zijn geschreven met opgeheven vingertjes hou ik niet van spreekwoorden. Ze zijn kleinburgerlijk, en houden de productie van keukentegels gaande. Nooit eerder heb ik over deze bijzondere bezigheid van me verteld maar vaak trek ik een camouflagepak aan en ga ik in de bossen schieten op spreekwoorden. Mijn vrouw pluimt die dan ’s avonds, zij kan dat als geen ander, en vervolgens gaan ze de oven in. Teentje knoflook erbij, een dobbelsteentje gember ook, heerlijk. Maar wanneer ik in de struiken dat, naar ik meen Aziatisch, spreekwoord zie klawieteren, knijp ik altijd een oogje dicht.

Er zijn vast vele definities te bedenken voor ‘vrijheid’, maar het is binnen de contouren van deze ene definitie dat ik vandaag mijn vrijheid beleef, in het zonnetje, raamkozijnen vervend, fluitend in de tuin, niks aan het handje.

Mijn leven in quarantaine is vooralsnog uitermate paradijslijk. Als ik dood ben, en ik beland tot mijn eigen stomme verbazing in het paradijs, dan zal ik van de Here Gods eisen om mij terug te zenden naar mijn tuin. Zo paradijslijk dus.

En vanuit dat dagdagelijkse paradijs van mij bel ik vandaag met vrienden die zich meer dan 700 kilometer noordelijker ophouden in lege steden van beton en parkeerplaatsen.

Eentje heeft de ziekte van Lyme, en zit al liefst anderhalf jaar in quarantaine, omdat ze zo goed als verlamd is en gewoon niet meer naar buiten kán. Een vrouw die graag beweegt, bijvoorbeeld op muziek van Prince, of Abba, maakt niet uit, en die daar nu ligt, te liggen, al acht seizoenen lang. Hoewel ook liggen pijn doet. Maar niet liggen nog méér. Zij urineert al een paar dagen bloed, maar er is geen dokter die haar wil helpen. Zij is immers een risicopatiënt, en daar blijft men liever van weg. Ze vergaat van de pijn, hoewel ze ondertussen wel heeft geleerd hoe om te gaan met ontzagwekkende pijnen, en de ziekenhuizen hebben geen plaats voor haar, dokters hebben andere katjes om te geselen.

Ander telefoontje vandaag. Met een van mijn betere vrienden. Ik lieg. Het was geen telefoon, want hij was te uitgeput om te telefoneren. Het was per sms. Hij heeft koorts, hoest zijn longen in zijn soepbord, en kan zich niet laten testen omdat er simpelweg geen testen meer beschikbaar zijn. Hij is een man die twee weken geleden nog rijkelijk liep te lachen met alle coronahysterie, maar dat is hem ondertussen wel vergaan.

Als hij sterft, denk ik, want dat is waar je onderhand aan denken moet, zal ik niet naar zijn begrafenis kunnen gaan. Er ligt een landsgrens tussen ons in, en die is dicht.

Nog een ander telefoontje, eveneens vandaag. Met mijn dochter. Haar moeder heeft het vlaggen. Koorts, hoesten, alle symptomen die mensen vandaag verleiden tot het haastig bij elkander pennen van een testament. Zelfde verhaal daar: het ziekenhuis komt ze niet in, ze is te jong, er is geen plaats, en er zijn geen testen meer voorradig.

En mijn dochter die daar met haar zieke moeder zit, in hetzelfde huis, hetzelfde huis zonder tuin, hetzelfde huis in dezelfde straat zonder zonlicht. In dezelfde lucht van uitgehoest speeksel.

Mijn dochter die haar liefje nu enkel nog op een computerschermpje ziet, gered door de hedendaagse technologie. En ergens jammer: het had een tijd kunnen zijn van prachtige liefdesbrieven.

Gustave Flaubert, waar ben je?

Ook haar grootvader heeft het vlaggen.

Het virus is eraan begonnen mijn adresboekje kaal te vreten. Dat denk je dan.

Ze zei dat ze een artikel had gelezen waarin werd beweerd dat die hele pandemie pas in de lente van volgend jaar zal luwen, en dat 80 procent van de wereldbevolking dan aan de wormen zal zijn geschonken.

Dat van die wormen zei ze niet.

Het is te vroeg om te stellen wat wel en wat geen indianenverhaal is. Alle opties blijven open. Niets lach ik nog weg.

Tussen jager en prooi verf ik de raamkozijnen. Voor wie? Voor wat?

Dat het lastig is om te sterven in de lente, zong Jacques Brel.

Mijn indruk is dat het nog nooit zo makkelijk is gegaan.

18 maart 2020 (264 doden later)

 In de steden is het ongetwijfeld anders, en hoor je zaken die er zelden of nooit zijn te horen. Bijvoorbeeld: niets. Of twitterende mussen in de bomen, zij hebben tenslotte aan hun eierproductie te beginnen, zo zoetjesaan, en moeten op de versiertoer. Misschien hoor je er ook al paren elkaar het hoofd inslaan, want zo’n lockdown richt wat aan met een gezin, zoveel inzicht in de menselijke soort heb ik ook wel. De koppeltjes, voor onbestemde tijd tot elkaar veroordeeld op enkele peperdure vierkante meters. Met wat geluk bezitten ze een balkonnetje met zicht op de Eiffeltoren, alwaar hun gewassen pyjama’s kunnen drogen. Hebben ze elkaar ergens van naar beneden te gooien.

Maar in bacteriële oorlogstijden blijven de geluiden op het platteland dezelfde als altijd en hoor je in deze prachttijd van het jaar: grasmachines. Kapperszaken mogen dan wel sluiten, dat betekent nog niet dat het gazon de coiffure van een Viking wil. Bovendien is al dat hoge gras een kweekbak voor het rotbeest dat morgen nog veel gevaarlijker zal blijken te zijn dan die corona, namelijk de teek. Kortwieken dus, die handel. In het belang van de volksgezondheid.

Ik heb mijn bijdrage geleverd aan die symfonie voor maailawaai en ik zal maar toegeven dit met een brede glimlach te hebben gedaan. Gezeten op mijn tractor, naar ik mij voorstel als Hannibal op zijn olifant, maar dan met Crocs aan mijn voeten, verkeer ik immer in hogere filosofische regionen. Het is onwaarschijnlijk waar men zoal aan denkt tijdens het nobele tuinieren. Aan mijn vrouw, zeer zeker, die al twee dagen met een hoestje zit. Aan Le Sacre du printemps van Stravinsky, omdat je gewoon niet anders kan als de natuur voor je eigenste ogen ontploft. Aan hoe de wereld er zal uitzien eens de mens is uitgeroeid. (Als een bol vol braamstruiken, daar ben ik nogal zeker van.)

Tien mogelijks te schrijven romannen flitsen door de kop, aanzetten voor gedichten die niemand zal begrijpen, een nieuwe songtekst voor Billie Holiday, en om een of andere reden heb ik vandaag ook aan Albert Camus gedacht. Ligt voor de hand, zal iedereen zeggen, gezien de omstandigheden staat De pest weer volop in de belangstelling; die (overigens echt wel fenomenale) roman beleeft ineens weer herdruk na herdruk. Maar ik denk toch eerder dat het te maken heeft met de figuur van Maria Casarès, die zijn maîtresse was, dik tegen haar zin, ze wou zijn numéro un zijn, en die hier in de buurt woonde. Vaak zie ik een boom en denk ik: misschien heeft Albert (ik mag Albert zeggen) die boom ook gezien. Misschien lag Albert met Maria onder deze boom. En was het gras dan hopelijk kort gemaaid.

Jammer van die vreselijk aan de nek irriterende coltruien die ze droegen, anders was ik existentialist geweest. Wie zou er nu neen zeggen tegen die heerlijke combinatie van jazz, alcohol en intelligentie? (Velen, ik weet het, maar ze komen mijn huis niet in.)

Jammer ook dat Albert dood moest gaan, aan een virus dat nog steeds niet is uitgeroeid: de auto. Zo niet hadden hij en zijn Maria hier vanavond in onze tuin kunnen zitten, na het invullen van een ‘attestation de déplacement dérogatoire’, of lekker stout zonder dat formulier in te vullen, en zouden wij onze glazen tegen de maan hebben kapot gesmeten, uiteraard na ze eerst te hebben geledigd, om te vieren dat De pest, dat ontegensprekelijke meesterwerk, werd herontdekt. En daarna zouden we plannen bedenken om die nog véél fenomenalerererere roman van ’m, De vreemdeling, ook weer [XXX]

Wat ik wou zeggen: mensen zonder tuin hebben een filosofische achterstand.

Staande voor hun ramen kijken ze naar de bloesems, de lente waar ze al zo lang op hebben gewacht. Straks valt de nacht, waarin velen zullen dromen van een ander huis.

17 maart 2020

President Macron heeft gisteren de hele Franse bevolking maatregelen opgelegd die ontzettend hard lijken op de maatregelen die een schrijver voor zichzelf neemt wanneer hij aan een roman begint: het bijna totale isolement. Hij voegde eraan toe dat de natie dan ook in een staat van oorlog verkeert. 

Dat is het dus, oorlog, ik ben al meer dan twintig jaar in staat van oorlog, en het zijn vooralsnog bijzonder verrijkende jaren gebleken. Zoals Macron het voorstelt, wil ik nooit meer terug naar de vrede. 

Ik snap de man natuurlijk wel, en zijn toespraak was alleszins duizendmaal meer begeesterend dan de post-it die koning Filip, Worst der regeringsloze Belgen, voorlas. Lees boeken, zei de Worst, en dit op een manier die de literatuur alleen maar schade toebrengt. Wat hij vooral heeft geïnstalleerd is het idee dat boeken nuttig zijn om de verveling mee te verdrijven. Je moet toch iets, als je in je eentje thuis zit ganser dagen. (Enkele jaren geleden werd ik op het aan een lik verf toezijnde paleis ontvangen door zijn eegade, Worstin Mathilde, die toen nog een ordinaire prinses was. Ze wou ‘iets’ doen met boeken en hield een informatierondje met enkele schrijvers. Trots als een prinsessenboon vertelde ze dat ze iedere avond voor het slapengaan haar kindjes verhaaltjens voorlas. Ik opperde dat ik zulks een uitermate slecht idee vond, pedagogisch onverantwoord zelfs: haar kinderen groeiden namelijk op in de overtuiging dat boeken een slaapverwekkende functie hadden. De Worstin heeft mij nadien geen blik meer gegund, en richtte zich uitsluitend nog tot mijn kontlikkerigere collega’s.)

Macron had lichtjes andere woorden: ‘Doe aan verdieping, je hebt er nu noodgedwongen de tijd voor.’

Vanochtend zag ik mijn buurman Claude, gepensioneerde boer, het devies van zijn president opvolgen en aan verdieping doen: hij trok het onkruid uit zijn voortuin. 

Tussen boer en onkruid woedt de oorlog al veel langer. 

Leuke man, Claude. Hij heeft me, ondanks onze ophokplicht, vanmiddag geholpen met een herstelling aan mijn tractor. Hij niesde zo hard dat de takken van de bomen zwiepten (nou ja, ik overdrijf), en ging vervolgens met zijn zakdoek staan zwaaien zoals de leegschedeligen dit tijdens trouwfeesten doen op het dringend dood te schieten lied ‘Les lacs du Connemara’ van zijne overbodigheid Michel Sardou (en hier overdrijf ik dan weer voor geen millimeter).

Omdat er nog altijd gegeten moet worden, en omdat onze groentetuin vooralsnog niets te smikkelen schenkt, (bijna, bijna), moest er vandaag naar de winkel worden gegaan. 

Winkelen mag in Frankrijk voortaan niet meer met het hele gezin. Te besmettelijk. 

Topmaatregel. Met mijn vrouw erbij valt winkelen altijd duurder uit. We komen altijd weer thuis met zaken die niet op het boodschappenlijstje stonden. Plantjes, vooral. 

Sinds vandaag moet ik mij verantwoorden wanneer ik mijn huis verlaat en heb ik een formulier in te vullen, een ‘attestation de déplacement dérogatoire’. Te gebruiken om naar de arts te gaan, voedsel te kopen, kinderen in de crèche te dumpen, of om iets beroepsmatigs te verrichten wat op geen enkele manier kan via het internet. Ik mag met dit formulier ook gaan joggen of de hond uitlaten, op voorwaarde dat ik alleen ben en niet aan de praat ga met iemand anders die ook toevallig net aan het joggen is of die de hond uitlaat. Mij wacht een boete van vierduizend euro wanneer ik deze regels aan mijn laars lap. 

Enfin. 

Naar de winkel dus. En ja hoor, op weg naar de supermarkt word ik daadwerkelijk tegengehouden door de gendarmes, die verifiëren of ik wel met een heel erg goeie reden mijn huis heb verlaten. 

Een lege keukenkast was gelukkig een goede reden, zo niet hadden vrouw en ik een voorbeeld aan onze naburige koeien te nemen en gras te vreten, daar hebben we immers nog genoeg van.

Eveneens leeg waren de schappen in de supermarkt. Ook de supermarkt zelf was leeg, aangezien iedereen hier kennelijk al was geweest. Toiletpapier, wat ik nu toevallig nodig had: weg! In tijden van oorlog wil iedereen een propere kont. Alles waar je een blik omheen kan gooien: weg. Pasta: weg. Volgens de website van de vrt zouden de Fransen massaal kaas en wijn hamsteren, maar ik vraag me af of die journalist niet zelf in quarantaine zat. Of die journalist Frankrijk wel weet te liggen. Het enige wat er nog in mijn supermarkt meer dan behoorlijk voorradig was, was kaas en wijn. 

Wij hebben nu kaas en wijn voor twee weken, en ik kijk daar erg naar uit.

De kont moet maar een poosje aan verdieping doen en zich behelpen met een boek.

Iedereen om me heen liep ineens ook met een mondmaskertje op. Heel bevreemdend is dat. Ik merk dat ik zo’n mondmasker altijd persoonlijk ga nemen. Alsof ik mij in geen maanden heb gewassen. Het voelt nogal beledigend, moet ik zeggen. Maar vermoedelijk, vrees ik, zal ik heel snel aan die dingen gaan wennen. Ik zal wel moeten.

Je zal maar doof zijn vandaag, met al die mondmaskers. Er valt nergens nog een lip te lezen. 

De kassiersters zaten ineens, liploos ook, verstopt achter plexiglas en droegen een soortement handschoenen die ik douaniers niet graag zie aantrekken op de luchthaven nadat ik van kop tot teen ben gescand. Blauwe. Ik zag me al staan aan die kassa. Broek op de enkels, benen uit elkaar, met mijn mond blazend op mijn handen. 

Cash betalen is plotsklaps verboden, te besmettelijk allemaal, dus alles moet verplicht met de bankkaart. 

Heeft iedereen dat wel, een bankkaart? 

Frankrijk is in twaalf uur tijd bijna onherkenbaar veranderd.

Er moeten vele levens zijn, waarin er nu eindelijk eens iets is gebeurd.